Auteur Topic: Roodvleugelparkiet (Aprosmictus erythropterus)  (gelezen 6015 keer)

Offline Neophema Plaza

  • Administrator
  • Senior Parrot
  • *****
  • Berichten: 5225
  • Geslacht: Man
    • George Steinz
Roodvleugelparkiet (Aprosmictus erythropterus)
« Gepost op: augustus 08, 2005, 11:52:40 am »

Roodvleugelparkiet (Aprosmictus erythropterus)




De Roodvleugelparkiet is in de loop der jaren een wat meer voorkomende vogel in avicultuuur geworden. Toch kan nog steeds gesteld worden dat het geen algemeen voorkomende soort is. In het algemeen wordt er mondjesmaat gekweekt met deze soort zodat uitbreiding van de gehouden aantallen vogels slechts langzaam groeit. Deze beperking vindt men ook weer terug in de prijs (de richtprijs van 2000-2001 was Fl: 600,= aan voor een jonge man en pop). Wanneer wij de vogel wat beter bekijken, zien wij een schitterende strakke kleurencombinatie vam diverse kleuren, waarbij het rood en het geelgroen schitterend kleurcontrasteren. Bovendien horen deze vogels niet bij de echte herriemakers en kunnen zij gehouden worden door de meeste liefhebbers.

Beschrijving
Voor alle duidelijkheid volgt hier eerst een summiere beschrijving van de vogel. Voor een totaalbeeld en een goede indruk dragen de afgebeelde vogels zorg. De man is herkenbaar aan zijn glanzende, bijna lichtgevende lichtgroene kop en nek. Daarbij onderscheidt hij zich van de pop doorzijn zwarte rug, het zwart ontbreekt in zijn geheel. De pop kan wel rood op de vleugels vertonen doch dit is zeer summier. De jongen lijken op de pop en zijn herkenbaar aan de zwarte ogen. Het geslachtsonderscheidt bij de jonge vogels is zeer moeilijk. Vaak kan men het onderscheidt pas maken wanneer de vogels naar de twee jaar lopen. Bij de mannetjes verschijnen dan de eerste zwarte veertjes. De roodvleugelparkiet behoort met zijn 32 centimeter tot de grotere soorten van de Australische parkieten. Hierdoor verdient het aanbeveling, mede gezien het feit dat de vogel op zijn mooist is in de vlucht, om een wat langere voliere ter beschikking te stellen. Een wat mindere bijkomstigheid, waar zeer zeker aandacht aan besteed moet worden, is de vorstgevoeligheid. Met regelmaat ziet men waarvan nageltjes of zelfs stukjes teen zijn verdwenen. Het is daarom raadzaam de roodvleugelparkieten 's nachts te laten verblijven in een nachthok. Er is geen mooiere vogel dan een complete vogel.

Ondersoorten
De literatuur spreekt over drie ondersoorten. Alhoewel een van de ondersoorten door verschillende kenners niet als een aparte ondersoort wordt gezien. Voor een totaalbeeld zullen wij de drie ondersoorten noemen en daarbij het verspreidingsgebied aangeven. Aprosmictud e. erythropterus, dit is qua afmeting de meest forse vogel en hij heeft ookhet grootste verspreidingsgebied. Deze Roodvleugelparkiet komt voor in het oosten van Australie. Vanuit zuidelijke richting omvat dit gebied het noordelijke deel van Nieuw-Zuidwales, in noordelijike richting overgaand in bijna geheel Queensland tot aan Cape York De tweede ondersoort Aprosmictus e.coccineopterus, wordt ook wel de kleine rooovleugelparkiet genoemd. Hij is ten opzichte van de Aprosmictus e.erypthropetrus zeker drie tot vier centimeter kleiner. Bovendien is hij wat minder uitbundig, dus fletser van kleur. Deze ondersoort komt voor in het noorden van Australie van Cape York tot aan de omgeving van Kimberley. De derde ondersoort Aprosmictus e.papua, dit betreft de in twijfel getrokken ondersoort, lijkt sprekend op de Aprosmictus e.erypthropterus. Deze ondersoort heeft zijn verspreidingsgebied aan de zuidkant van Nieuw-Guinea.

Woonomgeving
De roodvleugelparkieten hebben een voorkeur voor open boomgebieden met eucalyptusbomen. Verder treft men hen aan in boomgroepen langs waterlopen en halfdroge gebieden met acaciastruiken en in zanderige streken. Aan de noordelijkke kust worden zij zelfs aangetroffen in de mangrovebossen. Heden ten dage wordt deze soort, mede door de cultivering van de grote grondstukken in deze gebieden, aan de rand van regenwouden, landbouwgebieden en aan de buitenkant en van boomaanplanten. Worden deze vogels waargenomen, kan men er van uit gaan dat er in de directe omgeving water aanwezig is. Op gemerkt moet ook worden dat het echte boombewoners zijn.

VOORKOMEN IN DE NATUUR
De Roodvleugelparkieten worden gerekend tot de standvogels. Dat wil zeggen dat zij het gehele jaar in hetzelfde gebied verblijven en binnen dit gebied eventueel rondtrekken. Toch worden zij onregelmatig waargenomen in de woongebieden. Er zijn zelfs berichten dat op plaatsen, waar men hen jaar in, jaar uitkon bewonderen, zij soms wel 3 a 4 jaar niet meer aanwezig waren. Ook de aantallen vogels wisselen. HEt ene jaar verschijnen zij in grote groepen en het jaar daarop ziet men sporadisch een enkel paartje. De oorzaak zou volgens kenners liggen in de mate van droogheid in de noordlijke gebieden. In het algemeen leven roodvleugelparkieten paargewijs of in familieband in de broedtijd. Daarbuiten vormen zij groepen van zo'n twintig vogels. Op de voedselrijke plaatsen voegen deze groepen zich samen en kunnen er grotere groepen ontstaan. In Nieuw-Guinea zijn zelfs zwermen van honderd of meer vogels waargenomen. Roodvleugelparkieten zijn zeer schuwe vogels. Bij de minste of geringste verstoring of onraad gaan zij luidkrijsend op de vleugels en verdwijnen in de bomen. Vaak worden zij aangetroffen in gezelschap van de Barnardparkiet (B.barnard) en bleekkoprosella's (P.adsicitus). Zoals reeds eerder opgemerkt leven zij voornamelijk in de bomen. Zij komen slechts sporadisch op de grond. Overwegend om te drinken. Zelden verblijven zij op de bodem om gevallen vruchten en zaden te eten. Hun voeding bestaat overwegend uit vruchten, onder andere bessen, zaden, noten, nectar, bloesems, en insekten en de larven daarvan. Hun echte voorkeur gaat uit naar de zaden van de eucalytus en de acacia. Wanneer het aanbod minder is nemen zij ook genoegen met de aangelegde boomgaarden zoals sinaasappels, pruimen, perziken, enzovoorts. De broedperiode varieert. Overwegend valt deze in de periode augustus tot februari. Aan de noordkust van Australie zijn broedende paren al waargenomen in Mei. Op Cape York ligt de broedperiode nog vroeger en wel in April. Als broedgelegenheid wordt overwegend gebruik gemaakt van holtes in takken of stammen van bij voorkeur eucalytus bomen en natuurlijk altijd in de buurt van water. De Roodvleugelparkieten houden van diepe broedholtes. Er zijn broedholtes ontdekt van 10 meter diep. Vaak bevindt zich het legsel op dezelfde hoogte als het maaiveld in de omgeving. Het legsel bestaat uit drie tot zes eieren. Zij worden alleen door de pop bebroed en de pop verlaat het nest in de regel alleen 's morgens en aan het eind van de middag om zich te ontlasten en om zich door de man te laten voeren. De broedtijd duurt ongeveer 21 dagen, afhankelijk van de temperaturen gedurende deze periode. Na ongeveer vijf weken na het uitkomen komen de jongen uit de broedholte.

De Roodvleugelparkieten in avicultuur
De eerste Roodvleugelparkieten kwamen naar Europa in 1861. Zij waren te bewonderen in de dierentuin van London. Ook in Berlijn wist men beslag te leggen op deze soort. Hierna werd het stil en kwamen er zelden vogels deze kant uit. In de jaren zestig, de wonden van de tweede wereldoorlog waren grotendeels geheeld en de wederopbouw was in een vergevorderd stadium kwamen er met regelmaat Roodvleugelparkieten naar Europa. De uit de natuur gehaalde exemplaren waren en bleven schuw en schrikachtig en met regelmaat, als gevolg van stress, kwam verenplukken voor. De vogels die in de loop der jaren gekweekt werden, vertonen dit gedrag niet meer. De vogels, die in onze volieres rondvliegen, zijn rustigeaangename vogels. Zij hebben zich prima aangepast en de liefhebbers kunnen er met veel plezier van genieten. Het eerste jaar kunnen de jonge vogels samen ondergebracht worden in een voliere, eventueel met jongen van andere soorten. Hier vindt in dat eerste jaar ook de partnerkeuze plaats. Wanneer aan het einde van dat jaar de keuze zichtbaar is, is het raadzaam de gevormde koppels in aparte volieres onder te brengen. Bovendien is het aan te bevelen om de Roodvleugelparkieten geen koningsparkieten of rosella's als buren te geven. Deze soorten kunnen niet met elkaar overweg en de ruzies over en weer worden zelfs door het gaas uitgevochten. Van kweken zal dan in de praktijk weinig tot niets terecht komen.

Huisvesting
Zoals reeds eerder opgemerkt komen de Roodvleugelparkieten het best tot hun recht in een wat langere voliere. Wanneer de vogels op de vleugels gaan, zijn het plaatjes om te zien.Naast een ruime voliere moeten zij kunnen beschikken over een vorstvrij nachthok. Zij hebben zeer gevoelige poten en afgevroren nageltjes en teentjes komen niet meer terug.

De kweek
De eerste meldingen stammen al uit 1878. Er werden kweekresultaten gemeld zwel in Duitsland als in Nederland. In de daarop volgende jaren boekten meerdere kwekers in geheel Europa succes. De roodvleugelparkieten zijn met twee jaar geslachtsrijp. Het komt echter ook voor dat eenjarige vogels asan het broeden gaan. Voor de liefhebber is dit vaak moeilijk te sturen omdat het geslachtsonderscheid op deze leeftijd moeilijk te bepalen is. Om enige zekerheid te krijgen omtrent het geslacht van de vogels worden enige veertjes uit de rug getrokken . Wanneer deze terugkeren als zwarte veertjes betreft het een man. Dit geeft geen 100% zekerheid want er komen niet altijd zwarte veertjes terug bij de man. Om tot broedresultaten te komen zal men aan een aantal voorwaarden moeten voldoen. Zowel de pop als de man moeten natuurlijk broedrijp zijn waarbij de meest temperarementvolle man de meeste kans op succes zal geven. Als broedgelegenheid moet een diep broedblok ter beschikking worden gesteld. Een natuurstam met een diepte van 1,5 to 2 meter is het meest ideaal. De doorsnede inwendig moet ongeveer 30 centimeter zijn en het vlieggat 10 centimeter. Inwenidg zullen trapjes van gaas of takken aangebracht moeten worden om het betreden of verlaten van de boredholte te vereenvoudigen. Normaal gesproken broeden de Roodvleugelparkieten eenmaal per jaar , twee legsels vormen echter geen uitzondering meer. Het legsel is variabel en bestaat uit drie tot zes eieren. Deze worden gelegd met een tussenruimte van twee dagen en worden gedurende 18 tot 20 dagen bebroed. Hierna komen de jongen uit. Na het uitkomen blijven de jongen nog vier tot vijf weken in het broedblok voordat zij uitvliegen. Gaan de ouders over tot een tweede legsel dan moeten de jongen apart ondergebracht worden en van hun ouders gescheiden. Is dit niet het geval dan kunnen zij nog geruime tijd bij hun ouders verblijven.

Mutaties
Zoals nu bekend, zijn er geelbonte en gele roodvleugelparkieten gekweekt.