Njassa dwergpapegaai (Agapornis lilianae)
Deze vogels waren al bekend in 1864, maar men dacht toen dat het de Agapornis Roseicollis was. Ze werden pas in 1894 afzonderlijk beschreven door Mr. Shelley. De Lilianae heeft zijn naam te danken aan W.L. Sclater. Die de naam van zijn zus (Lilian) aan de vogel heeft gegeven.
Ze werden voor het eerst in Europa ingevoerd rond 1926. Enkele jaren later werden de eerste broedresultaten al opgetekend.
Mutaties van de Agapornis Lilianae:Lichtgroen, donkergroen en olijfgroen.
Hemelsblauw, kobaltblauw en mauve.
Ino.
Beschrijving van de Agapornis Lilianae: Lengte: 13,5 cm van bovenkop tot staarteinde. Man en pop zijn gelijk aan elkaar. Voorhoofd, kruin, wangen en kin: helder oranjerood voorhoofd en kruin vervolgens overgaand in een olijfgeel achterhoofd en tenslotte in een groene nek, wangen oranjerood doorlopend tot voorbij de ogen, vervolgens aan de onderzijde doorlopend tot op de groene kleurscheiding. De bef eindigt 2 cm onder de snavelpunt ogen: donkerbruin, iris iets lichter dan pupil omgeven door een witte oogring.
Snavel: rood naar boven toe opgebleekt met aan de basis een witte snavelriem.
Flanken, buik en anaalstreek: lichtgroen.
Vleugeldek: donkerder dan de rest van het lichaam en geven een licht gehamerde indruk.
Grote vleugelpennen: groene buitenvlag en zwarte binnenvlag
Vleugelbochten: geelgroen.
Stuit en bovenstaartdekveren: lichtgroen.
Onderstaartdekveren: lichtgroen.
Staartpennen: lichtgroen met in het hard een oranje gele vlek overgaand in een zwarte bloktekening, aan het uiteinde een smalle gele rand.
Poten: grijs.
Nagels: donkerder grijs dan poten