Auteur Topic: Transmutaties bij de Agaporniden catastrofaal voor de witte-oogringgroep  (gelezen 3435 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline Neophema Plaza

  • Administrator
  • Senior Parrot
  • *******
  • Berichten: 5225
  • Geslacht: Man
    • George Steinz
Onderstaand artikel kwam ik tegen in de €uro-Parrot.
Ik denk dat dit een reuze interessant artikel is en wil het u om die reden dan ook niet onthouden. Ook in dit soort bladen streeft men er gelukkig nog naar om raszuivere vogels te kweken. Dit is belangrijker dan een goed gevulde portemonnee.



Transmutaties bij de Agaporniden catastrofaal voor de ‘witte-oogringgroep’

Liefhebbers van Agaporniden kennen ze allemaal wel: personata's met veel rood in de nek-, hals-, keel- en bovenborstbevedering. Jammer voor de fokker, maar deze vogels zijn niet raszuiver, hetzelfde geldt voor volledig uitgekleurde fischeri's met een enigszins donkere (zwartachtige) aanslag op de wangen. Fischeri’s waar van de bef, op de bovenborst eindigt met een duidelijke gele rand zijn eveneens verdacht, evenals die welke rood in de nek tonen.

Omdat de fokker die transmutaties toepast niet overal schuld aan heeft, dient tevens vermeld te worden dat het hier voor een deel gaat om nazaten van bastaardvormen van fischeri's en personata's die in de tachtiger jaren van de vorige eeuw bij duizenden vanuit noordoost-Tanzania rondom Dares Salaam en Tanga en ook uit Kenia uit de omgeving van Nairobi en Mombasa zijn ingevoerd. Vooral in deze gebieden komen in de vrije natuur geboren bastaardvormen voor uit kruisingen tussen A. personatus en A. fischeri (meldingen van Fry, Keith en Urban). Dit als gevolg van ingevoerde personata's en fischeri's in deze gebieden door de mens. Het gaat hier dus om gebieden die oorspronkelijk niet door deze soorten bewoond werden.

Vast staat echter ook dat personata’s en fischeri’s die in gevangenschap onderling, maar ook met de lilianae of nigrigenis zijn gekruist in meer of mindere mate dezelfde bastaardkenmerken vertonen.
Zo zijn er verhoudingsgewijs ook vrij veel rasonzuivere lilianae's in omloop vooral als gevolg van kruisingen met fischeri en personata. Ook bij deze vogels is het bij aankoop geboden goed op de raskenmerken te Ietten. Exemplaren met een andere stuitkleur dan groen zijn niet raszuiver, dat geldt ook voor volledig uitgekleurde Iilianae's die een zwartachtige aanslag op de wangen tonen. Ook lilianae's met een donkergekleurd in plaats van een olijf-geel achterhoofd zijn verdacht. De lilianae behoort tot de kleinste Agaporniden en heeft vrijwel hetzelfde postuur en dezelfde karakteristieke houding als de nigrigenis.
Bastaardvormen van de nigrigenis zijn vooral het gevolg van kruisingen met de personata. Een nigrigenis met een blauwachtige aanslag op de stuit is niet raszuiver, evenals een nigrigenis met geel in de befbevedering. Vogels met een rode gloed in het masker duiden op afstammelingen van de fischeri of lilianae. Een ander punt van aandacht is het postuur en de houding. Wat betreft postuur en houding lijkt de nigrigenis op de lilianae.

Het begrip soort
Kenmerkend voor levende dieren is dat ze zich op grond van hun overeenkomsten in een zoölogisch systeem laten rangschikken. Het belangrijkste criterium waarnaar men de dieren indeelt, is de gelijkvormigheid. Deze berust op het gemeenschappelijke bezit van een reeks gelijke erfelijke factoren. Voorts is van belang of de dieren onderling nakomelingen kunnen voortbrengen.
Dieren die in overeenkomstige stadia van hun ontwikkeling morfologisch en fysiologisch op elkaar lijken en onder natuurlijke omstandigheden een voortplantingsgemeenschap vormen, voor zover dit geografisch en ecologisch mogelijk is, noemt men een soort. Binnen de soort kennen we kleinere groepen van individuen: ondersoorten, geografische rassen, ecologische rassen, variëteiten, die zich door een aantal erfelijke kenmerken van elkaar onderscheiden en waarbinnen individuen nog meer gemeen hebben, ofwel genetisch nog meer overeenstemmen. De overgang van rassen naar soorten en de afgrenzing van de soorten onderling, is in vele gevallen onscherp en blijft grotendeels een kwestie van persoonlijke opvatting. De ondervinding 'leert echter dat dieren van dezelfde soort in sterke mate voor andere diersoorten afgesloten zijn en in natuurlijke omstandigheden niet of slechts zeer zelden met andere diersoorten paren. Deze door de natuur zelf ingestelde 'soortbarrière' waarborgt dat iedere soort haar kenmerken vrijwel onveranderd aan de nakomelingen doorgeeft.

De soort onder invloed van de mens
Onder kunstmatige omstandigheden is het echter vaak gelukt soorten van een verwante groep met elkaar te laten paren. Daarbij blijkt dat niet tussen alle soorten van een verwante groep succesvolle kruisingen mogelijk zijn, dat dus bijv. bastaarden tussen bepaalde soorten volledig tot ontwikkeling komen terwijl die tussen andere soorten in een vroeg levensstadium te gronde gaan. Dit verschijnsel kan op de onverdraagzaamheid van de chromosomengarnituren der beide soorten berusten of op het feit dat de zaadkern van de ene soort niet past bij het eicytoplasma van de andere soort.

!n gevallen dat de bastaarden volledig tot ontwikkeling komen, zijn ze slechts zelden vruchtbaar. Een klassiek voorbeeld vormen de reciproke bastaarden van paard en ezel. Noch de muilezel (paard x ezel) noch het muildier (ezel x paard) is vruchtbaar. Ook uit de vogelwereld kennen we talrijke voorbeelden waarbij kruising tussen vogels van twee verschillende soorten tot steriele bastaarden leidt. Voor wat betreft het geslacht Agapornis zijn dat de volgende kruisingen:
  • A. taranta x A. personatus
  • A. taranta x A. fischeri
  • A. roseicollis x A. personatus
  • A. roseicollis x A. fischeri
  • A. roseicollis x A. lilianae
  • A. roseicollis x A. nigrigenis

Soms beperkt de steriliteit zich uitsluitend tot de poppen en zijn de mannen in een laat levensstadium vruchtbaar (bijv. F1- bastaarden van kapoetssijs x kanarie).

Er zijn echter,ook kruisingen tussen verschillende soorten waarbij vruchtbare bastaarden ontstaan. In de meeste gevallen gaat het daarbij, afhankelijk van de geldende systematische indeling, niet om soorten, maar om rassen of ondersoorten van dezelfde soort. Zo zijn bijv. alle reciproke bastaarden tussen de leden van de witte-oogringgroep, personatus, fischeri, lilianae en nigrigenis vruchtbaar. De leden van deze groep worden veelal als natuurlijke geografische rassen van een soort beschouwd die zich als gevolg van de langdurige ruimtelijke isolatie tot zelfstandige soorten hebben ontwikkeld. Anderen echter beschouwen fischeri, lilianae en nigrigenis als ondersoorten van de Agapornis personatus en hanteren voor deze vogels de drievoudige naamgeving (trinaire nomenclatuur). Maar, zoals ik al opmerkte, is dit een kwestie van persoonlijke opvatting.

Daar de bastaarden uit deze groep vruchtbaar zijn, bestaat de mogelijkheid kleurmutaties die bij bepaalde leden van de groep zijn opgetreden, door middel van bastaardering op andere groepsleden over te brengen. Aldus slaagde een fokker in Zuid-Afrika in 1957 er als eerste in, via kruising met de blauwe personata, blauwe fischeri's te fokken. Op dezelfde wijze lukte het anderen de blauwe en de lichtgroenpastel nigrigenis te fokken. Via kruising met de lutino lilianae zijn naderhand ook de lutino en albino fischeri en de Iutino en albino personata ontstaan.

Het overbrengen van bijv. de blauwe kleur van de personata op de fischeri geschiedt langs een omweg en neemt op zijn minst drie fokseizoenen in beslag waarbij men als volgt te werk gaat. Het eerste jaar paart men een blauwe personata man aan een wildvorm fischeri pop. Alle F1-bastaarden uit deze paring zijn split voor blauw. In hun zichtbare kenmerken vertonen ze trekken van beide ouders; qua tekening staan ze het dichtst bij de fischeri.
Het tweede jaar paart men de F1-mannen terug aan fischeri poppen. De R-nakomelingen die uit de terugkruising geboren worden, zijn voor 50% split voor blauw. In hun uiterlijke kenmerken zijn ze door kenners van raszuivere fischeri's te onderscheiden.
Het derde jaar kruist men de beschikbare mannen en poppen van de R-generatie onderling. Als het wat meezit, kunnen dan uit deze kruising de eerste blauwe op fischeri's gelijkende vogels verwacht worden. Voorwaarde is natuurlijk dat beide oudervogels split voor blauw zijn. Door telkens opnieuw terug te kruisen op raszuivere fischeri's ontstaan er op den duur vogels, die uiterlijk niet van echte fischeri's te onderscheiden zijn. Op dezelfde wijze wordt ook de blauwe kleur van de personata overgebracht op de nigrigenis. Ook wordt op deze wijze de pastelvorm van de personata overgebracht op de lilianae en de nigrigenis, alsook de ino factor van de lilianae op de personata, de fischeri en de nigrigenis. Ook het overbrengen van de donkerfactor van de personata op de fischeri en de nigrigenis geschiedt door middel van hybridatie.

Persoonlijk ben ik een tegenstander van deze gang van zaken. Het zijn namelijk niet alleen de erfelijke factoren die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van een bepaalde kleur die men van de ene soort overbrengt op de andere soort, maar ook een hele reeks andere erfelijke factoren die deel gaan uitmaken van het totale erfelijke materiaal van de F1-hybride en dus ook van hun nakomelingen. Een en ander betekent dat het gedurende miljoenen jaren van evolutie in erfelijk opzicht ontstane verschil tussen bijvoorbeeld een personata en een fischeri voor altijd wordt vernietigd. Zeker, de lutino personata, de blauwe fischeri of de blauwe nigrigenis mag dan door middel van terugkruising uiterlijk niet van hun raszuivere soortgenoten zijn te onderscheiden, in erfelijk opzicht blijven ze rasonzuiver en dat voor altijd. Daar doet het woord transmutatie, dat voor menig oor wat vriendelijker en acceptabeler klinkt dan bastaard niets aan af.

Voor de vogelliefhebber die zich inzet voor de raszuiverheid van de soorten vormen de R-individuen die uit hybriden stammen en niet meer van de wildvormen zijn te onderscheiden het grootste gevaar. Immers, van de blauwe fischeri is bekend dat het geen raszuivere fischeri is, die worden dus ook niet aangeschaft als men raszuiverheid der soorten nastreeft, maar aan een wildkleur fischeri die uit een bastaardgeneratie stamt, is de rasonzuiverheid vaak niet te zien met als gevolg dat deze rasonzuivere vogels vaak onopgemerkt in raszuivere bestanden binnensluipen. Een groot deel en mogelijk zelfs het grootste deel van het thans in gevangenschap gehouden Agaporniden bestand van de 'witte-oogringgroep' is op deze wijze verziekt.

Valt er nog wat aan te doen?
Persoonlijk zou ik het toejuichen als de gezamenlijke vogelbonden de moed zouden opbrengen om alle kleur slagen van de 'witte-oogringgroep' die door transmutatie zijn ontstaan
uit de vraagprogramma's te halen. Op deze wijze wordt het overbrengen van een bepaalde mutatie van de ene soort op de andere ontmoedigt. Zoals het nu gaat, dient men uitsluitend de commerciële belangen, niet de ware vogelliefhebber en zeker niet de raszuiverheid van de soorten.

Tussen de soorten van de seksueel-dimorfismische groep, Agapornis pullarius, Agapornis canus en Agapornis taranta zijn naar alle waarschijnlijkheid geen kruisingen met goed gevolg mogelijk. Pogingen deze soorten met elkaar te kruisen, hebben voor zo ver ik heb kunnen nagaan nog nooit tot resultaten geleid en daar ben ik eerlijk gezegd blij om.

Bron: €uro-Parrot maart 2005
Tekst: H.W.J. van der Linden


« Laatst bewerkt op: januari 24, 2007, 10:01:36 am door Neophema Plaza »

Ingmar

  • Gast
Re: Transmutaties bij de Agaporniden catastrofaal voor de witte-oogringgroep
« Reactie #1 Gepost op: maart 29, 2005, 13:45:19 pm »
Duidelijk en helder verhaal George  :thumbsup:
« Laatst bewerkt op: januari 24, 2007, 10:01:51 am door Neophema Plaza »